Eksempler på bruk av ordet Iran i setninger på nederlandsk.
|
Ik ging naar Iran.
Jeg dro til Iran.
|
|
|
Iran heeft Amerika de oorlog verklaard.
Iran proklamerte krig mot USA.
|
|
| Wat is de hoofdstad van Iran? | |
| Wanneer was de islamitische revolutie in Iran? | |
| In welk jaar brak de islamitische revolutie uit in Iran? | |
| Iran is een belangrijke doorvoerroute voor drugs uit Afghanistan en Pakistan. | |
| Iran heeft de afgelopen twintig jaar meer dan 10000 handelaren geëxecuteerd. | |
| Maar liefst 11892 drugsverslaafden en - handelaren zijn afgelopen week bij grootscheepse razzia's in Iran aangehouden. | |
| Zestig procent van de handel vindt via Iran z'n weg naar Turkije en daarna verder naar het Westen. | |