Eksempler på bruk av ordet constant i setninger på nederlandsk.
|
Tom liegt constant.
Tom lyver alltid.
|
|
|
Hij speelt constant zijn gsm kwijt.
Han mister alltid mobilen sin.
|
|
|
Hij loopt constant rusteloos heen en weer.
Han går restløst frem og tilbake.
|
|
|
Deze oude auto gaat constant kapot.
Denne gamle bilen går alltid i stykker.
|
|
|
Mijn vader is aan het klagen; hij is constant bezig geweest sinds vorige week.
Pappa klager; han har vært konstant opptatt siden forrige uke.
|
|
| De Zeistenaren bleven constant in en juist buiten hun eigen cirkel bivakkeren. | |
| constant van samenstelling, bacteriologisch betrouwbaar, altijd hetzelfde wat betreft de structuur en het uiterlijk, snel klaar te maken, lang houdbaar. | |
| Met steun van Frits Hoogerheide, die Ottenbros had opgewacht, sleurde Harm constant aan de kop van de ongelukkige achtervolgers, die echter steeds meer terrein verloren. | |
| De eerste limietklasse won Dirckx met de constant gaande Ebro voor de verrassend goede Hertog van H. E de Jong (Workum) en de wat rustiger geworden Excellent van J. W. van Dijk, Emmeloord. | |