Eksempler på bruk av ordet geschenk i setninger på nederlandsk.
|
Ann gaf mij dit geschenk.
Ann ga meg denne gaven.
|
|
|
Het is een geschenk voor u.
Denne gaven er til deg.
|
|
|
Mijn oom gaf hem een geschenk.
Min onkel ga ham en gave.
|
|
|
Hij stuurde me een geschenk.
Han sendte meg en gave.
|
|
|
Het leven is een geschenk.
Livet er en gave.
|
|
|
Ik kan dit geschenk niet aanvaarden.
Jeg kan ikke ta imot denne gaven.
Jeg kan ikke ta imot denne gaven.
|
|
|
Ik had geen geschenk verwacht.
Jeg forventet ingen gave.
|
|
|
Ze hebben elk een geschenk ontvangen.
De fikk hver sin gave.
|
|
|
Dit is het mooiste geschenk dat ik ooit gekregen heb.
Dette er den mest fantastiske gaven jeg noen gang har mottatt.
|
|
|
Ik heb een geschenk aanvaard van zijn zuster.
Jeg aksepterte en gave fra søsteren hans.
|
|
|
Ik zoek een geschenk voor mijn moeder.
Jeg ser etter en gave til moren min.
Jeg leter etter en gave til moren min.
|
|
|
In plaats van zelf te gaan, stuurde ik een geschenk.
I stedet for å gå selv, sendte jeg en gave.
|
|
| Het ons aangeboden geschenk | |
| Na afloop van het door het Nationale Ballet uit te voeren programma, zal mevrouw Gaskell een geschenk ontvangen. | |
| De opium-papaver, "hasjhasj" noemen haar de Turken - wel te onderscheiden van hasjisj -, geldt als een geschenk van Allah. | |
| De plastiek heet Dynamische Vorm en is een geschenk van de gemeente Vlaardingen aan dit bedrijf, aangeboden ter gelegenheid van de opening van de nieuwe gebouwen van het Unilever research Laboratorium. | |