Eksempler på bruk av ordet werpen i setninger på nederlandsk.
|
Mag ik er even een blik op werpen?
Kan jeg få se på det?
|
|
|
Wie in een glazen huis woont, moet niet met stenen werpen.
Man skal ikke kaste stein i glasshus.
|
|
| Op dit moment werpen wij ons met z'n allen op dezelfde levensmiddelenmarkt. | |
| Hoe heet de sport waar men zo ver en zo precies mogelijk moet werpen met een werphengel? | |
| De thuiswedstrijd begon sensationeel toen Van der Gaast en De Greve door twijfelachtig werpen van routinier Flip de Cuivre konden binnenkomen. | |