Eksempler på bruk av ordet Brit i setninger på nederlandsk.
|
Ik ben een Brit.
Jeg er britisk.
|
|
| Welke Brit vond in 1668 de spiegeltelescoop uit? | |
| De oorzaak dat de Brit zich wel op tijd kon herstellen, zoekt Soeters gedeeltelijk in de ervaring: | |
| Welke Brit ontdekte bij zichzelf kleurenblindheid, een afwijking die sedertdien zijn naam draagt? | |
| De man uit Nederhorst den Berg moest met zijn eigenbouw Jamathi felle strijd leveren met de Brit Barry Smith, triomfator bij de TT-races in Assen. | |