Eksempler på bruk av ordet Time i setninger på nederlandsk.
|
Hij had het in no time op.
Han spiste det på ingen tid.
|
|
|
Hij had het binnen no time op.
Han spiste det på ingen tid.
|
|
|
Hebt ge het artikel over Azië gelezen in Time?
Har du lest artikkelen om Asia i Time?
|
|
| BEGGAR JULIA'S TIME TRIP. | |
| Hoe dan ook, interventie lijkt mij tijdens Luns-time onvoorstelbaar. | |
| Deze full-time-functionaris kan de hoogleraar-voorzitter van veel werk ontlasten. | |
| De jongens vonden het beslist nodig "baggar Julia" een "time trip" te laten maken. | |
| De universiteitsraad zal volgens beide voorstellers moeten bestaan uit 51 personen, van wie de voorzitter op voorstel van de raad full-time voor 5 jaren wordt benoemd door de Kroon. | |