Eksempler på bruk av ordet ding i setninger på nederlandsk.
|
Kan je dat ding eten?
Er denne tingen spiselig?
|
|
|
Ieder zijn ding.
Hver sin smak.
|
|
|
Tom heeft het zelfde ding gedaan.
Tom gjorde det samme.
|
|
|
Waar heb je dat rare ding gevonden?
Hvor fant du den merkelige tingen?
|
|
|
Ieder zijn eigen ding.
Hver sin smak.
|
|
|
Je moet me alleen één ding beloven.
Du må bare love meg en ting.
|
|
|
Er is slechts één ding dat we kunnen doen nu!
Det er bare én ting vi kan gjøre nå!
|
|
|
Het eerste ding dat hij kocht was een wekker.
Den første tingen han kjøpte var en vekkerklokke.
|
|
|
Ik heb geen idee hoe je dit ding moet gebruiken.
Jeg har ingen anelse om hvordan jeg bruker denne.
|
|
|
Wat is dat vreemde ding in je hond zijn kaken?
Hva er den rare tingen i hundens munn?
|
|
|
Vissen is niet echt mijn ding.
Fiske er bare ikke min greie.
|
|
|
Weten is één ding, het ook doen is heel wat anders.
Å vite er en ting, og å gjøre er en annen.
|
|
|
Een ding is zeker: zijn job zou ik niet willen hebben.
Jeg skal si deg én ting: Jeg ville ikke likt å ha jobben hans.
|
|
| Een ding is zeker: | |
| Het ding liep gewoon goed. | |
| Op het laatst hoorden we ze gewoon boven de televisie uit, hoe hard we dat ding ook aanzetten. | |
| Wanneer 's nachts op de deur geklopt wordt, betekent dat slechts een ding: | |
| Een ding weet Mary namelijk, en dat is waar Fred heen wil en dat vertelt ze hem ook. | |
| Uiteindelijk komt hij er nog het slechtst af na moedeloos vastgesteld te hebben dat een soldaat in vredestijd een onnuttig ding is. | |