Eksempler på bruk av ordet dun i setninger på nederlandsk.
|
In het koetsje zat een heer, niet knap, maar ook niet slecht van uiterlijk, niet al te dik, niet al te dun; oud kon hij niet genoemd worden, maar hij was ook niet al te jong.
I vognen satt en herre, ikke attraktiv, men heller ikke uattraktiv, verken for tykk eller for tynn; man kunne ikke kalle ham gammel, men han var heller ikke for ung.
|
|
| Ik heb voornamelijk dichtbeboste bergstreken bezocht, die dun bevolkt worden door de Meos, een Laotiaanse minderheidsgroep die rijst, mais, bonen en andere voedingsgewassen verbouwt bij haar dorpjes. | |
| Het lijkt wat dun als gegeven", zegt Terpstra wanneer hij onze bedrukte gezichten waarneemt. | |
| Hoe noemt men een dun schijfje met een magnetiseerbaar laagje metaalpoeder? | |