Eksempler på bruk av ordet scheen i setninger på nederlandsk.
|
De maan scheen helder.
Månen skinte sterkt.
Månen skinte klart.
|
|
|
Een rood licht scheen in het duister.
Et rødt lys lyste i mørket.
|
|
|
Ze scheen tevreden te zijn met het examenresultaat.
Hun virket tilfreds med resultatet av eksamen.
|
|
| De vrede scheen toen gesloten, de kweekschool zou na de vakantie weer als een eenheid beginnen. | |
| Die slijtageslag scheen zijn eind te vinden in de kerstvakantie, toen er constructief gewerkt werd aan een plan voor onderwijsvernieuwing en democratisering. | |
| Tegen tien Duitsers scheen de zege voor GVAV gereed te liggen, maar een uitval van Bremerhaven had tien minuten later meer effect dan het overwicht van de Groningers. | |