Eksempler på bruk av ordet uitspreken i setninger på nederlandsk.
|
Laat me alsjeblieft uitspreken.
Hør på meg, vær så snill.
|
|
|
Ik kan jou niet vertellen hoe je het woord moet uitspreken.
Jeg kan ikke si deg hvordan du skal uttale ordet.
|
|
|
Kan je me één keer laten uitspreken of blijf je me onderbreken?
Kan jeg få snakke ferdig en gang, eller vil du fortsette å avbryte meg?
|
|
| Met het uitspreken van een voorkeur voor een politieke partij haalt ge de onenigheid in huis. | |
| Daarover moeten vervolgens de bevoegde parlementaire commissies en daarna het parlement zelf zich uitspreken. | |
| Pas op het Tweede Vaticaanse Concilie heeft de universele kerk zich gezamenlijk met de paus daarover kunnen uitspreken. | |