Setninger med oom

Eksempler på bruk av ordet oom i setninger på nederlandsk.

Annonsering
 
Mama, waarom heb ik geen oom met een baard?
Mamma, hvorfor har jeg ikke en onkel med skjegg?
Mijn oom heeft dit boek voor mij gekocht.
Onkelen min kjøpte meg denne boken.
Ik verblijf bij mijn oom in Tokio.
Jeg bor hos onkelen min i Tokyo.
Tom woont nu bij zijn oom.
Tom bor nå sammen med onkelen sin.
Mijn oom heeft drie kinderen.
Onkelen min har tre barn.
Mijn oom woont in de buurt van de school.
Min onkel bor nær skolen.
Mijn oom heeft mij een boek gegeven.
Min onkel ga meg en bok.
Ik zal volgende week mijn oom bezoeken.
Jeg skal besøke onkel min neste uke.
Mijn oom is gediagnosticeerd met leukemia.
Onkelen min har fått diagnosen leukemi.
Mijn oom is mager, maar mijn tante is dik.
Min onkel er slank, men min tante er feit.
Mijn oom bezoekt mij af en toe.
Min onkel kommer for å se meg fra tid til annen.
Ik heb een oom die in Kyoto woont.
Jeg har en onkel som bor i Kyoto.
Mijn oom overleed twee jaar geleden aan kanker.
Onkelen min døde av kreft for to år siden.
Hij woonde naast zijn oom.
Han bodde ved siden av onkelen sin.
Mijn oom gaf hem een geschenk.
Min onkel ga ham en gave.
Oom Bob nodigde ons uit voor het avondeten.
Onkel Bob inviterte oss til middag.
Ik ontving een telegram dat mijn oom aangekomen was.
Jeg fikk et telegram som sa at onkelen min hadde ankommet.
Mijn oom is boos.
Onkelen min er sint.
Mijn oom is kwaad.
Onkelen min er sint.
Mijn oom heeft een huis in Italië.
Onkel min har et hus i Italia.

Siste søk